"Je kunt niets idiot-proof maken
omdat idioten zo vindingrijk zijn..."

"Het belangrijkste in communicatie is
te horen wat niet wordt gezegd..."

Wie mag als procespartij optreden?

Geplaatst op: 14 december 2016, geschreven door: mr. G.J.A Van Dinter - Categoriën:

procespartijIn de praktijk blijken er nogal eens misverstanden te bestaan, ook onder advocaten, wie als procespartij in een civiele procedure kan optreden. De bevoegdheid om als partij in een burgerlijk geding op te treden komt in beginsel alleen toe aan natuurlijke en rechtspersonen. Dat is alleen dan anders indien bijvoorbeeld de wet een orgaan van een rechtspersoon uitdrukkelijke procesbevoegdheid toekent. Ontoereikend is voor het aannemen van procesbevoegdheid dat de wet een orgaan van een rechtspersoon vertegenwoordigingsbevoegdheid toekent, al dan niet in en buiten rechte.

In de bestuursrechtspraak gaat het over besluiten van bestuursorganen, die worden aangevochten door belanghebbende. De verwerende partij is dan het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Dat is nauwkeurig in de wet vastgelegd.

Binnen één rechtspersoon kunnen verschillende bestuursorganen bestaan. Die hebben allen hun eigen taken en bevoegdheden zoals bijvoorbeeld de burgemeester, het college van B&W en de Gemeenteraad.

Echter in een civiele procedure kan geen van deze organen als partij optreden en kunnen die organen niet gedagvaard worden. Een dergelijke procedure die het handelen of nalaten van organen van de gemeente betreffen wordt altijd gevoerd tegen de gemeente en niet tegen het college.

Evenmin kan het college zelf een civiele zaak starten. Ook dan is de procespartij de gemeente. De uitzonderingen zijn zeer beperkt. Zo heeft de ontvanger de rijksbelastingen procesbevoegdheid alsmede de ondernemingsraad van een bedrijf in een procedure van de ondernemingskamer.

Andere uitzonderingen worden in de jurisprudentie van de Hoge Raad vrijwel nooit aangenomen.

Dat had ook te gelden in de zaak waarover de Hoger Raad met haar arrest van 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:233 heeft geoordeeld. Daar werd betoogd dat op grond van de wet de minister van economische zaken procespartij had moeten zijn omdat in de betreffende wettelijke bepalingen was geschreven “onze minister”. De Hoge Raad bevestigde nog eens dat, de bevoegdheid als partij in een burgerlijk geding op te treden komt in beginsel alleen toe aan natuurlijke personen en rechtspersonen. Een uitzondering hierop valt uitsluitend aan te nemen als daartoe een bijzondere grond bestaat, zoals in het geval dat de wet een orgaan van een rechtspersoon nadrukkelijk procesbevoegdheid toekent (vgl. o.m. HR 25 november 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4696 NJ 1984/297). Voor het aannemen van procesbevoegdheid is ontoereikend dat de wet het orgaan vertegenwoordigingsbevoegdheid toekent, al dan niet in rechte (vgl. o.m. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3653 NJ 2015/36).

Meer weten?

Voor meer vragen kunt u contact op nemen met mr. G.J.A. Van Dinter en mr. L.J.H. Stein