"Je kunt niets idiot-proof maken
omdat idioten zo vindingrijk zijn..."

"Het belangrijkste in communicatie is
te horen wat niet wordt gezegd..."

Het einde van de “gouden handdruk”?

Geplaatst op: 2 december 2015, geschreven door: mr. G.J.A Van Dinter - Categoriën:

Met de inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) per 1 juli 2015 is de ontslagvergoeding op basis van de kantonrechtersformule komen te vervallen. De traditionele ontslagvergoeding of “gouden handdruk” is door de WWZ vervangen door de zogenaamde “transitievergoeding”.

Vanaf 1 juli 2015 hebben werknemers die twee jaar of langer in dienst zijn (in beginsel) recht op een transitievergoeding als hun arbeidsovereenkomst eindigt. “In beginsel” nu het recht op een transitievergoeding bestaat wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt: a) op initiatief van de werkgever, tenzij de beëindiging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, of b) op initiatief van de werknemer zelf als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

Naast de transitievergoeding heeft de kantonrechter, bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst, de mogelijkheid om naast de transitievergoeding een “billijke vergoeding” toe te kennen als er sprake is van ernstig of verwijtbaar handelen van de werkgever. Inmiddels zijn er een aantal uitspraken gewezen na 1 juli 2015, doch hieruit blijkt dat van “ernstige of verwijtbaar handelen” zijdens werkgever niet snel sprake zal zijn. Toch is inmiddels een eerste uitspraak bekend (en wordt de praktijk een eerste handvat aangereikt voor de hoogte van de billijke vergoeding) waarin wel ernstig verwijtbaar handelen werd aangenomen en dus een billijke vergoeding werd toegekend. Deze zaak speelde bij de rechtbank Oost-Brabant (zaaknummer 4336312\EJ VERZ 15-379\253).

In deze zaak werd op 3 maart 2015 door de werkgever (uit het niets) aan werknemer medegedeeld dat de werkgever zou worden overgenomen door een andere partij en dat deze “andere partij” geen gebruik wilde maken van de werknemer. De betreffende werknemer was al sinds 1997 bij werkgever in dienst. Significant detail: enkel de naam van de vennootschap van de werkgever was gewijzigd en de andere werknemers (behalve die ene werknemer) waren simpelweg in een andere BV geplaatst. De werknemer in kwestie bleef achter in een “lege BV” zonder salaris.

Werknemer heeft een WW-uitkering aangevraagd, doch deze werd door het UWV geweigerd nu er een verplichting bestond aan de zijde van werkgever tot doorbetaling van het salaris. Immers, het dienstverband was niet geëindigd. Ook na een nadien opgestarte kortgeding procedure (welke de werknemer had verloren) weigerde de werkgever betaling van het salaris. Door dit alles, kreeg de werknemer te kampen met ernstige financiële en psychische problemen, hetgeen de werknemer heeft doen besluiten om zelf een verzoek bij de kantonrechter in te dienen om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, zulks onder toekenning van een billijke vergoeding van EUR 75.000,-.

De kantonrechter oordeelde dat de handelwijze van de werkgever ernstig verwijtbaar was. De werkgever was “debet” aan de ontstane situatie. De kantonrechter oordeelde dat er grond was voor een verdubbeling van de aan de werknemer toekomende (transitie)vergoeding (de transitievergoeding bedroeg ruim € 30.000). De billijke vergoeding die werd toegekend naast de transitievergoeding was dus gelijk aan de transitievergoeding.

Voor nuancering klik hier voor de volledige uitspraak.